zondag 13 september 2015

#Boekperweek 18

We vliegen door de reeks met boeken heen, zeker de afgelopen twee weken. De scholen zijn weer begonnen en daardoor zou je denken dat ik dus minder tijd heb om te lezen, maar niets is minder waar. Deze week staan boek nummer 34 en 35 op het programma.

Magiër
Raymond E. Feist

Dit boek herlees ik bijna jaarlijks omdat het één van de eerste fantasy-boeken was die ik las. Daardoor kreeg ik - naast hernieuwd plezier om te lezen - een geheel nieuw genre waarin ik momenteel honderden boeken gelezen heb, waaronder al de boeken van deze auteur. En dat lezen blijf ik ook doen!

Het boek gaat over Puc, een wees, die een opleiding krijgt van de hofmagiër van het hof van Schreiborg. Ook gaat het over Tomas, zijn vriend, die klaargestoomd wordt om soldaat te worden.
Op een dag, wanneer Puc uit rijden is met de dochter van de hertog, komen ze twee trollen tegen. Met meer geluk dan wijsheid verslaat Puc deze, waarna hij een held wordt. Hij mag zich Jonker van Schreiborg noemen en krijgt zo, min of meer, een familie.
Ondertussen zijn er vreemde mensen gesignaleerd op Midkemia, de wereld waarop ze leven. Deze mensen lijken buitenwerelds te zijn, maar wat hun plannen zijn...

Raymond E. Feist neemt je in dit boek echt mee naar de werelden van Midkemia en Kelewan. Zijn beschrijvingen geven mij een bijzonder inkijkje en de manier waarop hij schrijft geeft extra reden om door te blijven lezen. Ook al is het diep in de nacht...

The Tudors: De koning, de koningin en de maîtresse
Anne Gracie en Michael Hirst

Deze serie is geschreven omdat de tv-serie een succes is geworden. Het gaat daarom ook echt over een 'herbeleving' van de serie, waarin je niet moet verwachten dat het boek supergoed is.

De titel van het boek zegt al wat over de hoofdpersonen: De koning is Henry VIII, de koningin is Katherine van Aragón en de maîtresse is lady Anne Boleyn. Daar waar de koningin Henry mogelijk geen nakomelingen kan geven - zeker na zoveel miskramen - zoekt hij wel naar een troonopvolger. En daarmee komt Anne in de spotlights.
Tegelijkertijd is kardinaal Wolsey achter de schermen bezig om alles is goede aarde te laten belandden: want een koning kan niet zomaar scheiden van zijn vrouw. Althans, dat zijn de regels van de paus. Maar moeten ze daar naar luisteren?

dinsdag 8 september 2015

Hoe Māui de wereld vuur bracht

's Avonds, na een heerlijke maaltijd, lag Māui naast het vuur. Hij staarde naar de dansende vlammen en vroeg zich af waar het vuur vandaan kwam. Nieuwsgierig als hij was besloot hij al gauw dat het zijn taak was om hierachter te komen.
Die nacht sloop hij bij alle dorpjes om daar het vuur te doven. Het kostte even tijd, maar na hard werken - en vooral hard lopen - had hij alle vuurtjes gedoofd in heel het land. Hij ging snel weer terug naar zijn dorpje en wachtte af.

De volgende morgen was er een chaos in het dorp. "Hoe kunnen we ons ontbijt maken als er geen vuur is?" riep een wanhopige moeder. "Hoe blijven we 's avonds en 's nachts warm?" riep een ander. 
"We kunnen niet zonder vuur! Wat moeten we nu?" jammerde een derde tegen de mensen om hem heen.
De mensen uit het dorp waren erg bang en renden naar Taranga, hun dorpoudste, om het problem op te lossen.

Taranga dacht diep na en sprak daarna: "Iemand zal naar de goede godin Mahuika moeten gaan en haar om vuur vragen." 
Niemand uit het dorp wilde dat graag doen. Mahuika woonde op een berg waar de hitte ondragelijk was. Toch kwam er iemand naar voren: Māui wilde wel op pad naar Mahuika. Hij was blij dat zijn plannetje had gewerkt.

"Ik zal de goede godin Mahuika opzoeken en haar vragen om vuur." zei hij tegen zijn moeder. "Wees voorzichtig," antwoordde zij, "Ook al ben je een nakomeling van de goden, geen enkele god is blij als je haar bedriegt."

Māui liep naar de grote gloeiende berg aan het einde van de wereld volgens de instructies die zijn moeder aan hem gaf. De berg was gloeiend rood, als kolen, en aan de mond van de berg zag Māui een opening. Voordat hij echter naar binnen ging, fluisterde hij nog een beschermende bezwering om zichzelf te beschermen voor wat er binnen zou zijn. Maar niets kon hem beschermen voor wat hij zag toen hij de berg binnenging.

Mahuika, de godin, torende boven hem uit. Vuur kwam uit elke porie van haar lichaam, haar haren waren een massa vlammen, haar armen waren enorm met vurige nagels en er zaten zwarte gaten waar haar ogen zouden moeten zitten. Ze snoof de lucht op en sprak: "Welk sterfelijk wezen durft voet te zetten in mijn huis?"

Māui slikte even maar herpakte zich daarna al vrij snel: "Ik ben het, Māui, zoon van Taranga."
"Huh?" donderde het door de grot, "Māui, zoon van Taranga?"
"Ja! De jongste, Māui-tikitiki-a-Taranga."
"Oké dan, Māui, welkom, welkom op de plek van vuur, welkom mijn kleinkind."

Mahuika stapte dichter naar Māui toe, snoof nog eens diep om zijn lichaamsgeur op te vangen. Māui stond stokstijf stil, ook al was de hitte die van Mahuika afkwam ondragelijk.
"Waarom ben je hier gekomen, Māui-tikitiki-a-Taranga?" vroeg ze uiteindelijk.
Māui begon vlug te spreken: "De vuren in de wereld zijn uit gegaan en daarom kom ik naar u om te vragen om vuur." Mahuika luisterde aandachtig en begon daarna te lachen. Ze trok een nagel van één van haar brandende vingers en gaf het hem.
"Neem dit vuur mee als cadeau voor de mensen. Eer dit vuur zoals je mij ook eert."
Daarna vertrok Māui met de brandende nagel, op weg naar huis.

Terwijl hij echter liep dacht hij ook na. Wat zou er gebeuren als Mahuika geen vuur meer heeft. Waar zal zij dat dan vandaan krijgen... In gedachten verzonken struikelde hij over een steen en liet het vuur vallen in een beekje. Daar doofde het, maar een plan vlamde op in zijn hoofd.

(Bron: Wikipedia)


Snel rende hij terug naar de grot waar Mahuika woonde. "Ik ben gevallen en het vuur viel in een beekje," ratelde hij, nadat Mahuika hem had begroet. "Zou ik misschien nieuw vuur mee kunnen krijgen?"
Mahuika was in een goede bui. Ze had lange tijd niet met iemand gesproken en Māui was iemand die ze wel aardig vond. Natuurlijk gaf ze hem dan ook nog een brandende nagel, en Māui ging weer onderweg.

Dit keer gooide hij de vlam in het water van een rivier en wachtte even alvorens weer terug te gaan naar de godin. "Een vis sprong omhoog en doofde de vlam met het water toen hij in het water dook."
Mahuika gaf hem nog een nagel, niet beseffend dat ze bedrogen werd.

Dit ging zo door totdat Mahuika al haar vingernagels had afgegeven en zelfs al wat teennagels kwijt was. Toen Māui terugkwam voor een nieuwe was ze furieus. Ze wist dat hij haar in het ootje had genomen en gooide de brandende teennagel op de grond.

Direct was Māui omringd door vuur en rende weg uit de grot.
Hij veranderde zichzelf in een havik en vluchtte de lucht in, maar het vuur volgde hem en brandde de veren, zodat ze vuurrood werden. 
Daarna dook hij in een rivier hopend en verwachtend dat het koele water het vuur wel zou doven. Niets was minder waar: het vuur zorgde het voor dat het water kookte!

Māui was nu radeloos. Hij riep zijn voorvader te hulp: "Tāwhirimātea atua o ngā hau e whā, āwhinatia mai!" (God van de wind, help mij alstublieft!)

Op dat moment verzamelde een groep wolken zich boven hem en een hoosbui doofde de vele vlammen. De berg van Mahuika was niet langer roodgloeiend, zoveel water viel er.
Ook al had Mahuika veel van haar krachten verloren, toch gaf ze nog niet op. Ze pakte haar allerlaatste nagel en gooide deze naar Māui met de hoop om hem daarmee alsnog te raken.
Māui zag de nagel echter komen en dook net op tijd weg, waardoor de nagel in een paar bomen terecht kwam. De Mahoe, Tōtara, Patete, Pukatea en de Kaikōmako boom werden hierdoor geraakt en hielden het vuur in zich. Zij zagen het als een groot compliment dat zij het laatste vuur van Mahuika mochten dragen.

Toen Māui terugkwam in zijn dorp had hij geen vuur bij zich, zoals de bewoners gedacht hadden. In plaats daarvan nam hij droog hout mee van de Kaikōmako en leerde hen om de droge stokjes tegen elkaar te wrijven en op die manier zelf vuur te kunnen maken. De mensen waren daarna weer blij: ze konden weer eten maken en hadden weer 's avonds en 's nachts vuur om warm te blijven.

Māui leerde zo waar vuur vandaan kwam, ook al betaalde hij het bijna met zijn eigen leven. Tot op de dag van vandaag hebben veren van de Kahu, een havik die zijn oorsprong kent in Nieuw Zeeland, een rood getipt uiteinde als herinnering aan deze gebeurtenis en om te laten zien hoe dicht Māui bij zijn dood was.

woensdag 2 september 2015

Týr en Fenrir

Angrboda was een kwaadaardige heks die Loki verleidde. Samen kregen ze drie monsterkinderen: Jormungandr, de slang die Midgaard omringde, Fenrir, over wie onderstaand verhaal gaat en Hel, de godin van de dood. Een pittig stelletje denk ik, zeker omdat over alledrie meerdere mythen bestaan. Alledrie zijn ook door de Asen verbannen uit Asgaard en mogen er geen stap meer binnenzetten.

Fenrir was nog een 'lieve' en kleine wolfspup toen Loki hem meenam naar Asgaard waar hij bij de goden (Asen) kwam te wonen. Lief is misschien wat overdreven, maar zo zag Loki hem wel.
De Asen kwamen geregeld bijeen en kregen keer op keer voorspellingen dat Fenrir een groot probleem zou vormen en mogelijk zelfs het einde van de wereld zou kunnen betekenen. Loki bestreed dit natuurlijk.

Ondertussen veranderde Fenrir in een steeds groter wordende wolf. Hij was kwaadaardig en vals en had bovendien ook nog eens de sluwheid van zijn vader geërfd. Daardoor was hij in de positie om zelfs de Asen te bedreigen en zij waren doodsbang van hem. Ze wilden hem uit Asgaard verbannen.
Daarom bedachten de goden een list. Ze maakten een ketting en deden deze om de hals van Fenrir. Fenrir wist hoe sterk hij was en zag het als een uitdaging, zeker ook nadat de Asen tegen hem zeiden dat het een spel was. Deze ketting brak hij al gauw.
De Asen klapten beleefd en zeiden tegen Fenrir dat hij dat al snel gedaan had, maar dat ze de dag daarna met een nieuwe ketting zouden komen. Fenrir vond het geen probleem: hij hield wel van een uitdaging.
De volgende dag kwamen ze weer aan en Fenrir wachtte geduldig tot ze de ketting om zijn nek hadden gedaan. Hij zou hen wel laten zien wat hij kon. De goden daagden hem daarna uit door te zeggen dat hij beroemd zou worden als de ketting zou breken. En, ook al moest Fenrir beter zijn best doen dan de dag ervoor, opnieuw brak hij de ketting.

Fenrir wordt vastgebonden
bron: wikipedia


De Asen werden nu bang: ze vreesden dat ze hem nooit zouden kunnen beteugelen. Daarom stuurden ze een boodschapper naar de nachtelven met de opdracht voor hen de sterkste ketting ooit te maken. Deze elven gingen aan de slag en maakten Gleipnir: een ketting zo zacht en slank dat het wel een zijden touw leek. De ingrediënten zijn ook al zo bijzonder en zijn sindsdien nooit meer samen gebruikt. Het was gemaakt van:
- De ademhaling van een vis;
- De baard van een vrouw;
- De wortels van een berg;
- Het speeksel van een vogel;
- De voetstap van een kat;
- De pezen van een beer.
Allemaal al bijzondere ingrediënten, maar samen vormden ze de bijzondere ketting die ze Gleipnir noemden.

De dag dat de ketting bezorgd werd riepen  de Asen Fenrir weer naar zich toe. Dit keer waren de Asen allemaal bij het eilandje Lyngvi in het meer Ámsvartnir. Fenrir rook onraad bij deze uitdaging, dus besloot met een tegenuitdaging te komen: Terwijl hij zichzelf los zou maken van de ketting moest iemand zijn hand in zijn bek houden.

De goden waren allemaal bang. Wie durfde dat bewust te doen? Die persoon zou, als de ketting zou werken, zijn hand zeker kwijtraken aan het dier. Toch stond er één man al gauw op: Týr, de god van de gerechtigheid stapte al naar Fenrir toe. Hij stak zijn hand in de bek van de reusachtige wolf en daarop liet Fenrir zich de nieuwe ketting omdoen.

Fenrir lachte de Asen toe en verzekerde hen dat hij ook hieruit wel zou ontsnappen. Daarna zou hij bekend staan als de allersterkste van de goden! Hij probeerde zich los te krijgen, maar hoe harder hij wrong, hoe sterker het koord werd en hij zich niet meer kon bevrijden. Uit woede beet hij de hand van Týr af. Deze liep snel weg en liet zich helpen door de andere goden. Deze waren zeer tevreden en blij: eindelijk hadden ze Fenrir te pakken.
Toen de wolf daarna ook nog naar hen zat te happen, pakte één van hen nog een zwaard en stak deze door de bek van Fenrir. Daardoor kon hij niet meer bijten en door zijn gekwijl ontstond ook nog eens de rivier Ván.

---

Dit verhaal komt uit de Noorse mythologie. Ik heb het gehaald uit de Jongere Edda, van Snorri Sturluson

zondag 30 augustus 2015

#Boekperweek 17

We vliegen door met de volgende twee boeken, nummer 32 en 33.

The Art of War
Sun Tzu


Een van de boeken die in mijn huidige cursussen als aanrader beschreven staat is dit eeuwenoude boek waarin generaal Sun Tzu zijn wijsheden doorgeeft. Tegelijkertijd wordt dit boek op dit moment nog steeds gebruikt door verschillende bedrijven wereldwijd en, kijkend naar de inhoud van dit boek, dat is hartstikke logisch.

De lessen uit dit boek hebben ook nu nog steeds zin en inhoud. Ken je vijand, weet wanneer en waar je wel en niet aanvalt en houdt oog op jezelf en je eigen leger. En nu lijkt het dus allemaal over oorlog en vrede te gaan, maar kijk eens verder: je vijand kan net zo goed je concurrent zijn. Let op je eigen bedrijf, weet waar en wanneer je beter kan concurreren met de 'vijand' en ga maar daar maar mee door.

Er zijn enkele lessen die de generaal doorgeeft waar zelfs jij en ik wat aan hebben. Ook al leest het boek niet supersnel weg - het zijn immers lessen en die moest ik wel even op me laten inwerken - toch is het een goede verrijking voor mijzelf.


It's a Kind of Funny Story
Ned Vizzini


Stel dat je vijftien jaar bent en op één van de beste scholen van het land zit. Niets mis mee, toch? Voor Craig is er echter wel iets aan de hand: hij voelt het als een enorme last op zijn schouders. Zelfs zo'n last dat hij zelfmoordneigingen krijgt en dan doet wat voor hem in dit geval het allerbeste is: hij checkt zich in bij het ziekenhuis.

In het ziekenhuis is op dat moment een renovatie bezig, waardoor hij als jongere ineens bij de volwassenen op de afdeling wordt gezet. Daar wil hij zijn leven weer op orde krijgen, met de hulp van zijn dokter.
Ook ontmoet hij daar Noelle, een meisje dat net als hij problemen heeft. Door haar en de anderen merkt hij dat zijn problemen nog wel meevallen.
Dit boek is ook verfilmd onder dezelfde naam, mocht je interesse hebben.

woensdag 26 augustus 2015

Māui en de zon

Op een avond waren Māui en zijn broers bezig om het eten klaar te maken. Ze hadden een gat gegraven in de grond en waren net klaar om de kolen in het gat te laten zakken toen de zon al onder ging. Ontdaan door het feit dat ze - alweer - in het donker moesten eten, sprak hij de mensen daar aan:
"Elke dag haasten we ons om al het werk te doen en ons eten te verzamelen voordat het donker wordt. Waarom zouden we slaven van de zon zijn? Ik zal de zon vangen en hem leren om langzamer langs de hemel te gaan!"

Eén van zijn broers begon te lachen en zei: "Het is onmogelijk om de zon te vangen: hij is groter dan alle vogels die je al gevangen hebt."
Een andere broer haakte aan: "De hitte en de vlammen zullen je levend verbranden."
"Ik denk dat hij een zonnesteek heeft opgelopen," zei een derde broer en iedereen schoot in de lach.

Toen het gelach wegzakte, nam Māoi de heilige kaakbeen van zijn voorouders van zijn riem en zwaaide er mee door de lucht.
"Ik heb vele dingen gedaan waarvan jullie zeiden dat het onmogelijk was. Ik heb vuur gehaald van Mahuika, de zonnegod, ik heb de grootste vis gevangen, ik ben in de onderwereld geweest, en nog veel meer. Met dit heilig kaakbeen - aan mij gegeven door onze grootmoeder Muri-ranga-whenua - en met jullie hulp zal ik de zon overwinnen!"

De meerderheid van de mensen gaf toe dat Māui vele bijzondere dingen gedaan had en besloten hem te gaan helpen in zijn missie.

Die ochtend liet Māui zijn stam grote hoeveelheden vlas verzamelen. Hij leerde hen die middag om van vlas touw te maken, een handigheidje dat hij geleerd had in de onderwereld. Zo maakten ze verschillende touwen. Na vijf dagen waren alle touwen gereed en bezweerde Māui de touwen.

"Taura nui, taura roa, taura kaha, taura toa, taura here i a Tamanuiterā, whakamaua kia mau kia ita!"

Tamanuiterā boven het Pukaki-meer in NZ
(eigen foto)

Die nacht namen Māui en zijn broers de touwen mee naar het oosten, de plek waar de zon het vroegst verschijnt. Ze verstopten zich onder bomen en tussen de bosjes zodat de zon hen niet zou zien aankomen. Ze namen water mee in hun waterzakken terwijl ze reisden, want Māui had gezegd dat ze deze nodig hadden voor de komende taak.

Op de twaalfde nacht kwamen Māui en zijn broers aan een klif, een bloedrode put die mijlenver de aarde in leek te zakken. Binnenin die put lag Tamanuiterā, de zon, te slapen. De broers waren stiller dan muizen, doodsbang om wat er zou gebeuren mocht de zon wakker worden.
Māui liet zijn broers direct vier hutten maken aan de zijkanten van de put om de lange touwen te verbergen. Voor de huizen gebruikten ze water om de klei zachter te maken, zodat ze een muur voor zichzelf konden bouwen. Tenslotte liet Māui zijn broers een strop maken die boven de put lag, om net op tijd klaar te zijn. De zon ontwaakte net.

Māui fluisterde de laatste instructies naar zijn broers; "Wanneer Tamanuiterā omhoog komt en zijn hoofd en schouders door de strop heeft, dan roep ik en trekken we allemaal aan de touwen, oké?"

Een van zijn broers werd bang en wilde wegrennen nu hij nog tijd had. "Waarom doen we dit ook alweer?" vroeg een ander. "Waanzin!" riep een derde.
"We zullen levend verbranden! Als we nu weggaan redden we misschien onze levens nog." De broers probeerde weg te sluipen maar Māui zag ze vanuit zijn ooghoeken.
Hij zei: "Als je nu weggaat, ben jij het eerste wat de zon ziet wanneer hij uit de put omhoog komt. Dan ben je de eerste die sterft. We kunnen niet meer terug!"

De broers hadden geen tijd meer om te antwoorden. De zon was wakker geworden en rees op uit de diepe put. Iedereen rende snel terug naar zijn hoek en hield het touw vast, klaar om het aan te trekken wanneer Māui het sein gaf. Ook hij verstopte zich en wachtte af.

Tamanuiterā kwam langzaam uit zijn put omhoog, niet wetend dat er een valstrik op hem te wachten stond. Zijn hoofd ging door de strop en daarna ook zijn schouders. Māui sprong op en riep naar zijn broers: "NU!!"

Zijn broers waren op het eerste ogenblik te bang, maar Māui riep nogmaals: "Snel nu, voordat het te laat is en we levend verbranden!"

Juist op dat moment keek de zon op en zag Māui staan, recht voor hem. De zon was furieus. Hij gooide een vuurbal naar Māui maar deze bukte net op tijd, terwijl hij zijn touw verder aantrok en de bezwering nog eens riep.

"Taura nui, taura roa, taura kaha, taura toa, taura here i a Tamanuiterā, whakamaua kia mau kia ita!"

De broers sprongen op uit hun schuilplaats, pakten hun touwen op en trokken de strop dicht, net voordat Tamanuiterā zichzelf kon bevrijden.

"Aaarrrhh" brulde de woedende zon.

Māui probeerde koel te blijven in de intense hitte van de zon en liep, stapje voor stapje, dichter naar de zon toe. Hij pakte zijn heilige kaakbeen, hief het boven zijn hoofd en sloeg het neer op de zon. De magische krachten van het kaakbeen flitsten als de bliksem toen het de zon raakte.

"Waarom doe je me dit aan?" huilde Tamanuiterā.

"Vanaf nu," antwoordde Māui, "zul je langzamer langs de hemel gaan. Nooit meer zal de lengte van een dag bepaald worden door jou!"

Tamanuiterā probeerde zichzelf los te worstelen, maar opnieuw liet Māui de kracht van het kaakbeen voelen. Na een korte, hevige strijd gaf de zon de strijd op.

Māui instrueerde zijn broers om de touwen los te laten. De zon rees langzaam omhoog de lucht in, moe en verslagen.

De dagen werden daarop langer voor Māui en zijn volk. Ze hadden meer dan genoeg tijd om te vissen, eten te verzamelen en hun taken uit te voeren.
De krachten en vermogens van Māui werden nooit meer in twijfel getrokken: hij was er immers in geslaagd om de zon te temmen. En sinds die dag heeft Tamauiterā niet meer snel langs de hemel gereisd.

---

Dit verhaal komt uit Nieuw Zeeland, het is één van de Māori mythen. Mogelijk zullen er later nog meer verhalen van Māui komen, aangezien deze allemaal wonderlijk zijn.

Zeus en Lycaon

De god Zeus had gehoord dat er op de aarde meer en meer gevochten werd. Dit kon natuurlijk niet - de mensen moesten hem dienen - dus besloot hij een kijkje te nemen.
Hij vertrok naar een man die als tiran bekend stond om met eigen ogen de schade op te nemen. Lycaon, zijn gastheer was de koning van Arcadia: het gebied in het midden van het Griekse schiereiland.

Zeus kondigde zijn aankomst aan, maar Lycaon die was niet overtuigd. 'Hij, een god? Dat zullen we dan wel eens zien.'
Hij besloot een maaltijd te laten maken voor zijn gast - hetgeen gebruikelijk was - maar in plaats van dierenvlees besloot hij menselijk vlees te gebruiken. En dan niet zomaar iemand, hij nam een krijgsgevangene uit de streek Molossia. En laat die streek bekend staan om zijn vele tempels gewijd aan Zeus.
Lycaon bedacht dat als Zeus echt een god zou zijn, hij wel het verschil zou proeven tussen mensen- en dierenvlees. Hij had echter niet rekening gehouden met de mogelijkheid dat Zeus was wie hij zei dat hij was. Zeus nam nog geen hap van het vlees maar keek Lycaon alleen maar aan.

Die avond gaf Lycaon Zeus een kamer in zijn paleis om te overnachten. Ook hierbij had de gastheer een plan: hij wilde Zeus in zijn slaap vermoorden. Dat hij het vlees niet gegeten had... ach, de man zou vast geen honger hebben gehad. Wel raar dat hij wel veel andere dingen at, maar het vlees niet aanraakte.

Met een mes in de aanslag ging Lycaon door de geheime gangen naar de kamer waar Zeus sliep. Daar opende hij zachtjes de geheime deur en sloop naar het bed. Hij haalde diep adem en keek nog eens naar de slapende gestalte. Een duidelijke bobbel, met een borstkas die op en neer ging... ja, dat moest wel de gast zijn.
Zonder nadenken haalde hij uit met zijn mes. Zijn mes raakte echter niets anders dan lucht. En Zeus? Die stond binnen een oogwenk naast hem, pakte zijn mes af en vervloekte hem.

Lycaon zou elke keer bij volle maan veranderen in een wolf om wat hij gedaan heeft.

Bron: Wikipedia


---

Dit verhaal komt deels uit de werken van Ovidius en Appolodorus. Tevens een leuk weetje: Lycantropie komt uit deze mythe voort.

zondag 16 augustus 2015

#Boekperweek 16

Boek 30 en 31 komen vandaag aan de beurt. Dit allemaal in de uitdaging die de bibliotheken van Nederland zijn gestart. Zij stelden ons voor de uitdaging om (minimaal) één boek per week te lezen. Daarom mijn tweewekelijkse blog waarin de boeken van die weken bij langs ga.
Afgelopen week was tevens de laatste week van de zomervakantie, waarin ik - doordat het weer niet helemaal mooi was - ook vele kinderboeken heb gelezen, vaak meerdere per dag. Toch pak ik twee boeken er even tussenuit.

Gestolen Leven
Adam Johnson

De Pulitzer Prize-winnaar van 2013 kwam enkele weken bij mij langsgerold. Het boek dan, laat ik wel eerlijk blijven. Diegenen die mij goed kennen, weten dat Noord-Korea nog hoog op mijn lijstje staat met nog te bezoeken landen. Helaas gaat het aanvragen van een visum niet verschrikkelijk goed, anders zou het een stuk hoger staan op mijn lijst.
Dit boek gaat namelijk over dat land. De auteur heeft flink wat research gedaan en komt met een verschrikkelijk mooi boek.

Het gaat over het leven van Pak Jund-Do. Hij klimt omhoog op de maatschappelijke ladder in zijn leven. Van tunnelsoldaat, kidnapper tot radiospion op een vissersboot, hij leert te overleven. Ook al betekent dat voor hem dat hij moet liegen. En als hij daar dan ook nog mee weg komt...

Mees Kees op Kamp
Mirjam Oldenhave

De klas van Mees Kees mag op kamp. Een week lang avonturen beleven, wat een feest. Maar helaas moet de week van Dreus wel een werk-week worden, en is Mees Kees niet alleen: ook meester Hank gaat mee. Maar als laatstgenoemde bij het opzetten van de tent al door zijn rug gaat...

Tompouce voor ontbijt! Zwemmen met de gids van het WonderWaterWereld-museum en Chinezen met de man van wie ze de portemonnee hebben gevonden... Jammer dat het maar één week is...

Wederom een leuk boek in de serie over Mees Kees en zijn fantastische klas.