dinsdag 8 september 2015

Hoe Māui de wereld vuur bracht

's Avonds, na een heerlijke maaltijd, lag Māui naast het vuur. Hij staarde naar de dansende vlammen en vroeg zich af waar het vuur vandaan kwam. Nieuwsgierig als hij was besloot hij al gauw dat het zijn taak was om hierachter te komen.
Die nacht sloop hij bij alle dorpjes om daar het vuur te doven. Het kostte even tijd, maar na hard werken - en vooral hard lopen - had hij alle vuurtjes gedoofd in heel het land. Hij ging snel weer terug naar zijn dorpje en wachtte af.

De volgende morgen was er een chaos in het dorp. "Hoe kunnen we ons ontbijt maken als er geen vuur is?" riep een wanhopige moeder. "Hoe blijven we 's avonds en 's nachts warm?" riep een ander. 
"We kunnen niet zonder vuur! Wat moeten we nu?" jammerde een derde tegen de mensen om hem heen.
De mensen uit het dorp waren erg bang en renden naar Taranga, hun dorpoudste, om het problem op te lossen.

Taranga dacht diep na en sprak daarna: "Iemand zal naar de goede godin Mahuika moeten gaan en haar om vuur vragen." 
Niemand uit het dorp wilde dat graag doen. Mahuika woonde op een berg waar de hitte ondragelijk was. Toch kwam er iemand naar voren: Māui wilde wel op pad naar Mahuika. Hij was blij dat zijn plannetje had gewerkt.

"Ik zal de goede godin Mahuika opzoeken en haar vragen om vuur." zei hij tegen zijn moeder. "Wees voorzichtig," antwoordde zij, "Ook al ben je een nakomeling van de goden, geen enkele god is blij als je haar bedriegt."

Māui liep naar de grote gloeiende berg aan het einde van de wereld volgens de instructies die zijn moeder aan hem gaf. De berg was gloeiend rood, als kolen, en aan de mond van de berg zag Māui een opening. Voordat hij echter naar binnen ging, fluisterde hij nog een beschermende bezwering om zichzelf te beschermen voor wat er binnen zou zijn. Maar niets kon hem beschermen voor wat hij zag toen hij de berg binnenging.

Mahuika, de godin, torende boven hem uit. Vuur kwam uit elke porie van haar lichaam, haar haren waren een massa vlammen, haar armen waren enorm met vurige nagels en er zaten zwarte gaten waar haar ogen zouden moeten zitten. Ze snoof de lucht op en sprak: "Welk sterfelijk wezen durft voet te zetten in mijn huis?"

Māui slikte even maar herpakte zich daarna al vrij snel: "Ik ben het, Māui, zoon van Taranga."
"Huh?" donderde het door de grot, "Māui, zoon van Taranga?"
"Ja! De jongste, Māui-tikitiki-a-Taranga."
"Oké dan, Māui, welkom, welkom op de plek van vuur, welkom mijn kleinkind."

Mahuika stapte dichter naar Māui toe, snoof nog eens diep om zijn lichaamsgeur op te vangen. Māui stond stokstijf stil, ook al was de hitte die van Mahuika afkwam ondragelijk.
"Waarom ben je hier gekomen, Māui-tikitiki-a-Taranga?" vroeg ze uiteindelijk.
Māui begon vlug te spreken: "De vuren in de wereld zijn uit gegaan en daarom kom ik naar u om te vragen om vuur." Mahuika luisterde aandachtig en begon daarna te lachen. Ze trok een nagel van één van haar brandende vingers en gaf het hem.
"Neem dit vuur mee als cadeau voor de mensen. Eer dit vuur zoals je mij ook eert."
Daarna vertrok Māui met de brandende nagel, op weg naar huis.

Terwijl hij echter liep dacht hij ook na. Wat zou er gebeuren als Mahuika geen vuur meer heeft. Waar zal zij dat dan vandaan krijgen... In gedachten verzonken struikelde hij over een steen en liet het vuur vallen in een beekje. Daar doofde het, maar een plan vlamde op in zijn hoofd.

(Bron: Wikipedia)


Snel rende hij terug naar de grot waar Mahuika woonde. "Ik ben gevallen en het vuur viel in een beekje," ratelde hij, nadat Mahuika hem had begroet. "Zou ik misschien nieuw vuur mee kunnen krijgen?"
Mahuika was in een goede bui. Ze had lange tijd niet met iemand gesproken en Māui was iemand die ze wel aardig vond. Natuurlijk gaf ze hem dan ook nog een brandende nagel, en Māui ging weer onderweg.

Dit keer gooide hij de vlam in het water van een rivier en wachtte even alvorens weer terug te gaan naar de godin. "Een vis sprong omhoog en doofde de vlam met het water toen hij in het water dook."
Mahuika gaf hem nog een nagel, niet beseffend dat ze bedrogen werd.

Dit ging zo door totdat Mahuika al haar vingernagels had afgegeven en zelfs al wat teennagels kwijt was. Toen Māui terugkwam voor een nieuwe was ze furieus. Ze wist dat hij haar in het ootje had genomen en gooide de brandende teennagel op de grond.

Direct was Māui omringd door vuur en rende weg uit de grot.
Hij veranderde zichzelf in een havik en vluchtte de lucht in, maar het vuur volgde hem en brandde de veren, zodat ze vuurrood werden. 
Daarna dook hij in een rivier hopend en verwachtend dat het koele water het vuur wel zou doven. Niets was minder waar: het vuur zorgde het voor dat het water kookte!

Māui was nu radeloos. Hij riep zijn voorvader te hulp: "Tāwhirimātea atua o ngā hau e whā, āwhinatia mai!" (God van de wind, help mij alstublieft!)

Op dat moment verzamelde een groep wolken zich boven hem en een hoosbui doofde de vele vlammen. De berg van Mahuika was niet langer roodgloeiend, zoveel water viel er.
Ook al had Mahuika veel van haar krachten verloren, toch gaf ze nog niet op. Ze pakte haar allerlaatste nagel en gooide deze naar Māui met de hoop om hem daarmee alsnog te raken.
Māui zag de nagel echter komen en dook net op tijd weg, waardoor de nagel in een paar bomen terecht kwam. De Mahoe, Tōtara, Patete, Pukatea en de Kaikōmako boom werden hierdoor geraakt en hielden het vuur in zich. Zij zagen het als een groot compliment dat zij het laatste vuur van Mahuika mochten dragen.

Toen Māui terugkwam in zijn dorp had hij geen vuur bij zich, zoals de bewoners gedacht hadden. In plaats daarvan nam hij droog hout mee van de Kaikōmako en leerde hen om de droge stokjes tegen elkaar te wrijven en op die manier zelf vuur te kunnen maken. De mensen waren daarna weer blij: ze konden weer eten maken en hadden weer 's avonds en 's nachts vuur om warm te blijven.

Māui leerde zo waar vuur vandaan kwam, ook al betaalde hij het bijna met zijn eigen leven. Tot op de dag van vandaag hebben veren van de Kahu, een havik die zijn oorsprong kent in Nieuw Zeeland, een rood getipt uiteinde als herinnering aan deze gebeurtenis en om te laten zien hoe dicht Māui bij zijn dood was.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten